DRUGS  - Mescaline Cactus Specialist - Peyote Cactus, San Pedro Cactus, Peruvian Torch Cactus, Achuma Cactus, Kale San Pedro Cactus !

Winkelwagen

DRUGS


DRUGS


 1. WAT ZIJN DRUGS ?
 Drugs zijn middelen die een psychoactieve werking hebben op de hersenen.
 Bijvoorbeeld een verdovend effect,  een hallucinogeen effect, of een opwekkende werking.
 Het gebruik van drugs kan leiden tot een verslaving.
 Bijvoorbeeld tot een lichamelijke (physiek) of geestelijke (mentaal) verslaving.
 Maar dat hoeft niet.

 2. BETEKENIS VAN HET WOORD DRUG
 drug = verdovende middel, narcoticum, psychoactieve middel, hallucinogeen middel, geestverruimend middel,
             bedwelmend middel, roesmiddel, stimulerende middel, drogerende middel, dope.
 drugs = meervoud van drug.
 narcotica = meer voud van narcoticum = verdovend middel (vaak gebruikt door de overheid).

 3. SYNONIEMEN VAN DRUGS
 bedwelmende middelen, drogerende middelen, geestverruimende middelen, hallucinogene middelen, 
 psychoactieve middelen, roesmiddelen, stimulerende middelen, verdovende middelen, 
 narcotica (enkelvoud: narcoticum), dope,

 4. EFFECTEN VAN DRUGS
 Het effect van sommige drugs op de hersenen kan erg gevaarlijk zijn.
 Daarom worden drugs gereguleerd in de zogenaamde "Opiumwet".

 5. DE NEDERLANDSE OPIUMWET
 In de Opiumwet staan de stoffen genoemd die in Nederland wettelijk verboden zijn.
 De vermelde stoffen mag je in Nederland niet produceren, verhandelen of bezitten.
 De verboden middelen zijn ingedeeld in twee lijsten.

 N.B. De middelen van beide lijsten zijn dus verboden in Nederland !
 
 5.1 Opiumwet Lijst 1
 Op Lijst 1 staan de "Harddrugs" die als erg gevaarlijk worden gezien.
 Voorbeelden zijn cocaïne. Heroïne, GHB.

 5.2 Opiumwet Lijst 2
 Op Lijst 2 staan de "Softdrugs" die als minder gevaarlijk worden gezien.
 Voorbeelden van middelen op lijst 2 zijn cannabis, paddo's.

 6. SOFTDRUGS
 Softdrugs zijn vaak niet verslavend.
 Softdrugs zijn minder verslavend dan harddrugs.
 Ook duurt het langer voordat een gebruiker verslaafd raakt.

 Softdrugs zijn in Nederland toegelaten, of worden "gedoogd".

 7. GEDOOGBELEID IN NEDERLAND
 Voor sommige middelen van Lijst 2 ("Softdrugs") bestaat een gedoog-beleid in Nederland.
 Deze gedoogde drugs mogen in beperkte mate worden geproduceerd, verkocht en gebruikt.

 8. INDELING VAN DRUGS
 Drugs kunnen worden ingedeeld op de soort werking die ze hebben op de hersenen.
 Sommige drugs hebben meerdere werkingen (hasj, weet).
 N.B. In onderstaande groepen zitten harddrugs, softdrugs en andere middelen in eenzelfde groep.

 8.1 Drugs met een Stimulerende Werking:  "Stimulerende middelen"
      De gebruiker is actiever en is oplettender.
      Voorbeelden: cocaïne, koffie, tabak, amfetamines.

 8.2 Drugs met een Verdovende Werking:  "Verdovende middelen"
      De gebruiker is minder actief en ervaart een bepaalde slaperigheid (roes).
      Deze middelen ontspannen en kalmeren.
      Voorbeelden:  alcohol, slaapmiddelen, heroïne.

 8.3 Drugs met een Bewustzijns-Veranderende Werking:  "Hallucinogene middelen"
      De gebruiker ziet en ervaart de wereld anders dan normaal.   
      De geestelijke waarneming van een gebruiker verandert en / of wordt ruimer.
      Voorbeelden: tripmiddelen zoals hasj, paddo’s, LSD, wiet.
      En ook: Mescaline !

 9. VERSLAAFD RAKEN AAN DRUGS
     Het gebruik van drugs kan tot een lichamelijke (physiek) of geestelijke (mentaal) verslaving leiden.
     Maar dat hoeft niet.

 10. AFKICKEN VAN DRUGS        

 10.1 Ontwenning van drugs        
        Bij het onwennen aan drugs onstaan vaak ontwennings-verschijnselen (afkick-verschijnselen)
        Deze verschijnselen hebben vaak te maken met ontgiftiging (detoxificactie).
       
 10.2 Ontwenning-verschijnselen (= afkick-verschijnselen)        
        De ontwenning verschijnselen verschillen per middel.
        Deze afkickverschijnselen kunnen physiek (lichamelijk) zijn, maar ook psychisch (mentaal, geestelijk).
       
 10.3 Lichamelijke ontwennings-verschijnselen
        -- hartkloppingen.
        -- pijn (spierpijn, hoofdpijn).
        -- rillen en trillen.
        -- transpireren (zweten).
        -- verstoorde stofwisseling (darmkrampen, diarree).
        -- vermoeidheid, slapeloosheid.        
       
 10.4 Geestelijke ontwennings-verschijnselen
        -- angsten.
        -- dwangmatig psychisch verlangen naar het opnieuw gebruiken van het verslavende middel.
        -- gevoel van ontevredenheid.

 10.5 Maatschappelijke ontwennings-verschijnselen
       -- De ex-gebruiker moet ontwennen aan het milieu waarin hij eerst als verslaafde gebruiker functioneerde.